Galophulpen

Als je wil galopperen is het belangrijk dat je de hulpen goed geeft. Als je een overgang van stap naar draf maakt, drijf je met twee kuiten aan. (en sta je toe met je handen).

Wil je vanuit stap of draf een overgang maken naar galop, dan is het belangrijk dat je het verschil in de beweging tussen de draf en de galop weet en voelt.

In theorie moet je dus weten wat je moet gaan doen en hoe je dat moet doen, dan kan je e.e.a. in de praktijk beter uitvoeren en aan leren voelen. Kijk dus ook naar een dravend en galopperend paard en probeer goed te kijken hoe de beenzetting is!.

De draf is een zgn. twee-takt beweging. Hierbij zet het paard zijn benen diagonaalsgewijs neer, afgewisseld door een zweefmoment. In draf maakt een paard een pas en we spreken van drafpassen.

In galop maakt het paard een sprongetje, we spreken van galopsprongen. Er is verschil tussen de linker en de rechter galop. Als je in de rijbaan links om rijdt, dan rijd je op de linkerhand, als je rechtsom rijdt, dan rijd je op de rechterhand.

  • Als je op de linkerhand per ongeluk verkeerd aan galopeert, dan zit je in de rechtergalop en dat is dan de verkeerde galop.
  • Als het paard met zijn voorbenen in de linker galop zit en met zijn achterbenen in de rechtergalop, dan zit je overkruist. (dit voelt ongemakkelijk aan).
  • Als je op de linkerhand bewust in de rechtergalop aanspringt, dan spring je aan in de contra galop. Maar dan heb je dus ook contra stelling!

Voordat je aangaloppeert, moet je je paard goed voorbereiden. Ik ga er nu even vanuit, dat je op de linkerhand rijdt in draf en dat je in de linkergalop wilt aan galopperen. Belangrijk is, dat je je paard niet overvalt door met twee benen heel hard te gaan zitten drijven, hierdoor zal je nooit goed aan kunnen springen, maar gaat het paard harder draven en valt het in galop, dit is niet de bedoeling, de balans ben je dan kwijt.

Goede voorbereiding is het halve werk, dus stil zitten, de hulpen correct geven en vooral niet gaan zitten duwen, dan maak je het voor het paard bijna onmogelijk om correct aan te galopperen. Als je paard op de goede hulpen onvoldoende reageert, dan is het belangrijk om de hulp iets sterker te herhalen, eventueel ondersteund door een tikje met de zweep achter de kuit. Hierbij ook weer niet overdrijven, dat wil zeggen te veel drijven, dan kan het paard ook niet goed aan galopperen. Vergeet bij het rijden niet dat indien je paard niet goed reageert je de fout bij jezelf zoekt. Het is meestal zo, dat een paard wel wil, maar niet kan, omdat de ruiter zijn paard hindert of de hulpen niet goed geeft. (voorbeeld: je geeft de hulpen voor de galop, maar hindert je paard in de mond, hij wil dan wel, maar kan onmogelijk aangalopperen als de "handrem" er op staat!)

Aanspringen in de linkergalop:

Wil je de hulpen goed geven, dan is het belangrijk dat je weet hoe je paard zich voortbeweegt, zodat je de hulpen correct kan geven. Vanuit de draf moet dus de linker diagonaal doorbroken worden en het buiten achterbeen = het rechter achterbeen moet als eerste onder de massa geplaatst worden. Daarom zijn de hulpen voor het aangaloperen op de grote volte of in de hoek als volgt:

Beenhulpen

Binnenbeen op de plaats. Buitenkuit een handbreedte naar achteren, niet te veel en let op de lage hak. De buitenkuit leg je dus liever minder dan meer terug, we zien nog vaak dat de hak van de ruiter bijna tegen het schabrak aankomt, dit is natuurlijk niet de bedoeling.

Gewichtshulpen

Het gewicht van de ruiter moet gelijk verdeeld zijn over beide zitbeenknobbels. De binnenheup "open" je dan, deze breng je dus iets naar voren, hierbij komt de binnenkuit een heel klein beetje naar voren en je gewicht iets meer op de binnen zitbeen knobbel, de binnenheup draait zo iets naar voren. Op het moment dat het paard zijn binnenvoorbeen naar voren plaatst drijf je aan met je binnenkuit.

Teugelhulpen

De buiten teugel werkt ondersteunend en begrenzend en de binnenteugel vraagt lichte stelling naar binnen en staat toe, het is echt heel belangrijk dat de binnenhand absoluut niet terugwerkt, want dan blokkeert je paard in de mond en in het binnen achterbeen.

Niet gaan kijken of je in de goede galop zit, dit is een veel gemaakte fout. Je belast dan de binnenschouder te veel en het paard zal dan eerder verkeerd aanspringen. Voel in de eerste galopsprong of je in de goede galop zit: je paard "grijpt" met zijn linker voorbeen het verst naar voren en zorg er voor dat je genoeg "sprong" houdt, dus je paard lekker van achteren naar voren rijdt.

Probeer je rijkunstig gevoel te ontwikkelen en voel wat er onder je gebeurd. Als je uit gaat van wat je ziet, door dus naar beneden te gaan zitten kijken, schakel je je gevoel uit. Al je het allemaal nog niet zo goed voelt is dat helemaal niet erg. Door te oefenen onder leiding van een instructeur ontwikkel je je gevoel!

Hopelijk is dit duidelijk, hetzelfde geldt, andersom, voor de rechter galop, dus als je het bovenstaande begrepen hebt weet je ook de beenzetting en de hulpen voor de rechter galop.